Select country/language:

Leids Universitair Medisch Centrum

Vlotte STAN®-implementatie in het LUMC Leiden

Prof. dr. Jan van Lith is sinds 2008 hoogleraar Obstetrie aan de Faculteit Geneeskunde/LUMC te Leiden. Tevens is hij een van de STAN®-pioniers in Nederland. Sedert 2012 gebruikt men op de zes verloskamers van het LUMC zes STAN’s. Een interview over zijn ervaringen met STAN.

U bent een van de STAN-pioniers in Nederland. Wat was voor u de aanleiding om al in 2003 met STAN te starten en nu STAN als standaard te gebruiken op de verloskamers in het LUMC?

‘Het is belangrijk voeling te hebben met de ontwikkelingen in de wetenschap en met wat klinisch toepasbaar wordt. Ik vind dat je daar snel op moet inspelen en ontwikkelingen moet volgen. Dit betekent stappen vooruit maken en blijven zoeken naar kwaliteit. Ik had de indruk dat dit kon met STAN. ST-analyse is prima, maar ook het bijbehorende concept. Het is belangrijk dat we weten waar we mee bezig zijn. Wat is de foetale conditie? Wat is er aan de hand? In de verloskundige situatie van toen kwamen de verloskundigen meer op de voorgrond. De situatie was aan het veranderen. Niet alleen maar tussendoor even kijken naar het CTG, want dit houdt een risico in op onzorgvuldigheid. Gynaecologen keken mee op afstand. STAN hielp om te weten waar we mee bezig zijn. STAN leert ons kritisch te kijken naar het CTG en de achtergronden ervan. STAN dwingt ons beter om te gaan met foetale bewaking. Verder hou ik gewoon van innovaties. Veranderingen hebben een impact op een team. Als ze zoals bij STAN enthousiast zijn heeft dit tot gevolg dat een team als geheel beter gaat werken.’

Wat is volgens u de plaats van STAN in de verloskunde in Nederland?

‘In Nederland wordt veel met protocollen gewerkt. Het wordt niet geaccepteerd dat iets bij de ene patiënt wel wordt gebruikt en bij de andere niet. Geprotocolleerde behandelingen voorkomen dit. In Nederland zijn de afdelingen Verloskunde grote organisaties en dat vraagt om eenduidigheid. Men mag klinisch gezien niets heilig verklaren. Het gaat niet om enkel ST-analyse of MBO. Het gehele plaatje moet worden bekeken, niet klakkeloos CTG, STAN of MBO. Bij een risico moeten we kijken naar de reden van bewaken, naar de gehele interpretatie. Ons afvragen: ik zie het CTG en ST-events, kan ik verder of niet? In een bredere context moeten we continu werken aan ons analytisch vermogen en aan de optimale inzet van diverse mogelijkheden. ST-analyse is een waardevolle aanvulling. Het geeft op een andere manier informatie. En je kunt ook tegelijkertijd MBO gebruiken. Bijvoorbeeld als STAN geen signaal geeft, terwijl je het CTG toch niet vertrouwt. Optimale bewaking kan door ST en MBO naast elkaar te gebruiken.’

In de publicatie van de grote Nederlandse gerandomiseerde klinische studie van Michelle Westerhuis werd STAN vergeleken met cardiotocografie en microbloedonderzoek. Wat zijn volgens u de belangrijkste resultaten van deze studie?

‘De studie van Michelle Westerhuis heeft aangetoond dat je STAN uitstekend kunt inzetten in de Nederlandse klinische verloskunde. STAN heeft nu een plaats en een duidelijke positie in de foetale bewaking in Nederland. De resultaten van de Nederlandse STAN-studies worden overigens wisselend geïnterpreteerd. Veel hangt af van de vraag: ben ik bereid te veranderen of ben ik minder bereid? Dit is afhankelijk van de lokale situatie. Over de hele lijn halleluja roepen is onzin. Aan de andere kant heeft STAN wel degelijk toegevoegde waarde, ook in de Nederlandse situatie. Of het glas half vol dan wel half leeg is hangt af van de vraag hoe we naar resultaten kijken. En we moeten leren om meer vanuit een team te werken. In Amsterdam (OLVG) en Leiden betekende de introductie van STAN een boost. Men kreeg er daardoor meer oog voor wat foetale bewaking is.’

Dient er nog onderzoek te gebeuren naar STAN of vindt u dat STAN voldoende evidence-based onderbouwd is?

‘Het zou interessant zijn om een onderzoek te doen naar de kennis van de foetale conditie voor en na STAN, inclusief een kennistoets voor klinische verloskundigen, gynaecologen en arts-assistenten voor de implementatie van de STAN-methode. Een half jaar tot twee jaren na de introductie van STAN kan men dan opnieuw het kennisniveau testen. Ik denk dat je op die manier stappen kunt maken. Bijvoorbeeld: wat is acidose? Wat gebeurt er fysiologisch? Wat gebeurt er pathofysiologisch? Die kennis zou iedereen in het team moeten hebben.’

Wat vindt u van het gebruik van de FIGO-classificatie bij het gebruik van STAN?

‘Alle assistenten zijn verplicht de cursus foetale bewaking te volgen. Alle gynaecologen dienen uniform naar het CTG te kijken en te classificeren. Dat is wezenlijk. Een classificatie moet uniform zijn. Anders kan een assistent bijvoorbeeld iets heel anders begrijpen dan dat de verloskundige bedoelt.’

Hoe staat het nu met STAN in het LUMC?

‘De implementatie is vlot verlopen. We hebben het direct neergezet in combinatie met training. Bij overdrachten worden de STAN-registraties nu standaard besproken: wat staat er en wat betekent het? Dat is voor iedereen even wennen geweest. Als je je in het begin niet prettig voelt, doe dan zoals je gewoon was te doen in het verleden. Mensen begrepen dat ze altijd nog een MBO konden doen. Op die manier klopt alles met elkaar.’

Interested in our solutions?

Please fill in the form and we will contact you within 2 days
More
information,
better care
0 weeks
40 weeks
48 weeks